De bocht van Nevacerrada is het verhaal dat Iwan Tol publiceerde in het blad '42' (2006):

Onlangs vond Berthold Berger de videoband terug die hij jaren geleden voor het laatst had gezien. Het was een band waarop een etappe in de Vuelta stond. Niet dat het hem te doen was geweest om de renners of de ronde. Die interesseerden hem niet. Hij was slechts geïnteresseerd in die ene bocht. Hij bekeek de band weer en moest huilen. Als een klein kind.
Berthold Berger was voorbestemd voor de top. Hij maakte deel uit van de nationale selectie met atleten als Kamiel Maasse, Luc Krotwaar, Greg van Hest en Marco Gielen. Ze waren de jonge honden die stonden de trappelen om de oude garde – Garard Nijboer, John Vermeule, Gerard Kappert, Marti ten Kate – op te volgen. Zelf leerde ik Berthold Berger pas jaren later kennen, toen een topsportcarrière een onbereikbaar doel voor hem was geworden – al drong dat besef maar moeizaam bij hem door. We maakten regelmatig duurloopjes in de lommerrijke omgeving van het Drentse Zeegse. Onderwijl praatten we over van alles. Dat ik moest stoppen met roken, dat vrouwen van die moeilijke wezens zijn, maar ook over idealen en illusies. Daar kon Berthold over mee praten. Van dichtbij maakte ik toen zijn worsteling mee.
Nu, weer een paar jaar later, zitten we tegenover elkaar in een restaurant in Zwolle. Ik woon inmiddels niet meer in Groningen, maar in Den Haag. Vrouwen vind ik nog steeds moeilijke wezens. Het lukt me niet om me te binden. Berthold vergaat het beter, vertelt hij. Hij is getrouwd en wordt vader. Hij zegt weer te kunnen genieten van het hardlopen. Eindelijk heeft hij het besef gekregen dat er méér is in het leven dan hardlopen alleen. Ik had Berthold gebeld en gevraagd of ik zijn verhaal mag opschrijven. Het was oké, zei hij. Hij heeft zijn teleurstellingen een plek gegeven. Ik steek een sigaret op, blaas de rook onhandig richting plafond en vraag hem naar zijn eerste marathon: Hamburg, 1997.
“Ik ging die ochtend weg op een schema van 2 uur en 12 minuten, de limiet voor het WK in Athene. Het ging prima, tot aan het 25 kilometerpunt. Daar zag ik nergens mijn drinkbeker staan. Die beker kon ik niet missen, want het was een fel oranje exemplaar met een Nederlands vlaggetje erop. Ik had hem nog speciaal in een speelgoedwinkel gekocht, want als je moe bent, verlies je concentratie, dus zo’n beker moet duidelijk zichtbaar zijn. Bij één van de reguliere drinkposten nam ik daarom een bekertje water. Maar in dat water zaten bubbels. Dat kon mijn maag niet verdragen. Er zat niets anders op dan te gokken of ik het zonder water ook zou redden tot het 30 kilometer punt. Maar zo werkt het niet in de marathon. Die heeft zijn eigen wetten. Ik kreeg last van kramp en moest de laatste vijf kilometer zelfs bijna wandelen. Pas op het 40 kilometerpunt stond er weer een oranje bidon maar dat hielp niet meer. Ik kwam uit op 2 uur en 17 minuten. Een teleurstelling, maar ik wist dat ik de limiet kon halen”.
1998, Eindhoven.

"Een half jaar later probeerde ik daarom weer die limiet te halen, nu in Eindhoven. De drinkbekers stonden dit keer op de juiste plek, maar vergiste ik me in de weersomstandigheden. Ik had mijn benen ingesmeerd met een balsem tegen de kou. Toen het tegen de verwachting in ging regenen, kwamen door die balsem mijn poriën open te staan en sloeg de kou in mijn spieren. Weer die krampen vanaf een kilometer of dertig. Klotezooi! Krotwaar had niets op zijn benen gesmeerd en werd Nederlands Kampioen. Ik bleef steken op 2 uur en 18 minuten, maar wilde van geen opgeven weten".
1998, Nevacerrada.

"Ik wist dat ik die limiet kon halen. Dat had ik in me. Daarom moest het in Rotterdam gebeuren, hield ik mezelf voor. Op uitnodiging van de Spaanse selectie, ging ik in Spanje trainen, in de bergen, vlak boven Madrid. Ik zat er drie maanden lang en had het zo gepland dat ik veel profijt zou hebben van het op hoogte trainen. De trainingen verliepen zoveel makkelijker dan in 1997. Het jaar waarin ik  1 uur 2 minuten en 29 seconden liep op de halve marathon. In die omgeving zijn geen aparte fiets,- of looppaden. Maar gelukkig zijn de automobilisten daar gewend aan lopers. Bovendien zit er tussen de vangrail en de witte asfaltlijn nog een klein stukje weg, zodat je altijd kunt uitwijken. Spanjaarden zijn macho’s in het verkeer, ze gaan pas op het laatste moment opzij. Het lijkt er soms op alsof ze er een spelletje van maken om pas op het laatste moment uit te wijken. Op 17 maart, drie weken voor Rotterdam, ging het mis. Een auto sneed een bocht aan, maar hield er geen rekening mee dat het een S-bocht was. De witte kalklijn liep in dit gedeelte precies onder de vangrail door, dus uitwijken kon niet. In een flits zie ik een auto aankomen. Ik kon mezelf alleen nog maar afremmen door opzij te springen en op dat moment raakte de spiegel van de auto mij. Ik ben doorgelopen, die auto reed ook verder, want er was geen aanleiding om te stoppen. Ik ben nog doorgelopen, het was zo’n zestien kilometer terug naar het hotel. Ik dacht: het komt wel goed. Maar elke dag voelde ik me slechter worden. Mijn manager en sponsor belden me op en vroegen hoe het ging. Ik heb toen maar gezegd dat ik niet helemaal fit was vanwege een verkoudheid. Maar in werkelijkheid kon ik niet eens meer lopen. Na een paar dagen heb ik hen laten weten dat ik was aangereden en dat er niets anders op zat dan Rotterdam te schrappen. Terug in Nederland kon ik niet direct op Papendal  terecht, want ik had nog geen A-status. Daarvoor moest ik eerst die limiet lopen. Mijn manager heeft de dag na mijn terugkomst geregeld dat ik bij een Belgische toparts terecht kon. Die constateerde een scheurtje in mijn onderrug. Ik heb zes weken rust gehouden en moest een motorcrosskorset om mijn middel dragen om mijn onderrug te ontlasten. Alles zou goed komen, zei die arts. Die bocht, waarin het ongeluk gebeurde, staat op video. Omdat wij gaan verhuizen, kwam ik die band laatst weer tegen. Ik zag renners in de kou naar boven klimmen. Het was slecht weer. En toen kwamen ze bij de plek die ik zo goed kende. Ik zag het meteen. En weet je wat het bijzondere was: ze komen de bocht door en meteen daarna valt de verbinding uit. Op dat moment kwam alles weer boven. Tranen! Ik zag die bewuste plek en dacht: dáár, in de bocht, kwam een einde aan mijn carrière. Maar dat wist ik toen nog niet”.
1998, Berlijn.

"Ik kreeg last van mijn rechterachillespees en mijn linkerenkel. Maar dat ontdekte ik pas bij de marathon van Berlijn, in 1998, toen ik wederom voor de limiet ging. Na vijf kilometer kreeg ik last van mijn wreef en voelde iets in mijn voet knappen. Opgeven dat bestond niet voor mij. Ik had zo’n vreselijke pijn maar heb ‘m uitgelopen in 2 uur en 24 minuten. Na afloop kon ik geen stap meer zetten. Mijn enkelgewricht was zo dik als mijn knie en overal zaten  bloeduitstortingen. Twee dagen later zat ik bij dokter Heijboer in Rotterdam. ‘Je enkel is kapot’, zei hij. ‘Al je kraakbeen is weggesleten. Net als bij Van Basten. Als ik je opereer, dan is het einde carrière. Ik had één voordeel, volgens Heijboer: ik hoefde alleen maar recht vooruit te lopen en niet te wenden en keren, zoals Van Basten. Dat kon mijn redding zijn. Eind 1998 mocht ik na drie maanden weer rustig beginnen, een minuut dribbelen een minuut wandelen. Het ging goed. Ik liep weer 31 minuten op de tien kilometer. Maar elke keer als ik iets harder wilde, protesteerde mijn lichaam. Ik voelde dan mijn enkel, dan weer mijn achillespees. Die paar procent extra, het verschil tussen een goede loper en een topsporter, ontbrak. Ik raakte steeds gefrustreerder. Lopen was altijd mijn doel, mijn passie geweest, Maar aan het lopen beleefde ik geen enkel plezier meer. Elke keer voelde ik weer kleine pijntjes. Bij die botsing tegen de auto is achteraf veel meer kapot gegaan dan alleen mijn rug. Om me af te reageren, ging ik op stap, het uitgaansleven van Groningen in. Ik moest mijn energie kwijt. Maar na een jaar had ik genoeg van dat leventje. Ik besloot er nog één keer voor te gaan, alles opzij voor het hardlopen”.
2001, Tynaarlo.

“Ik ging in een dorpje in Drenthe wonen, Tynaarlo, speciaal voor de trainingen. Vanuit mijn huis liep ik zo de bossen in. In die omgeving heb ik weer inspiratie opgedaan om er op sportief vlak weer helemaal voor te gaan. Bij dokter Bots in Zwolle heb ik me in augustus 2002 laten opereren aan mijn rechterachillespees. Hij heeft een ontstoken stukje van mijn achillespees en hielspoor weggesneden. Hij vertelde me dat ik wél vier weken in een rolstoel moest zitten. Daarna zouden de klachten verdwijnen. Dat bleek ook zo te zijn. Het was voor mij een extra motivatie. Maar al met al was ik vanaf 1998 niet meer aan het topsport-niveau gewend en moest weer vanaf nul beginnen. Ik bleef doorgaan. Vaak tegen beter weten in, ja. Dat wist ik ook wel, maar ik negeerde dat. In Tynaarlo was ik soms eenzaam. Ik zat daar alleen in een rijtjeshuis, in een dorp waar verder niets gebeurde. En mijn lichaam vertelde me dat het niet meer kon wat mijn geest wilde. Ik dacht heel zwart-wit in die tijd. Ik was 33, wilde minder gaan werken en alles op het lopen richten. Ik won ook weer mijn wedstrijdjes in de regio, maar telkens als het goed ging, kreeg ik een terugslag. Ik dacht een keertje dat er een steentje tegen mijn enkel kwam, bleek ik een zweepslag te hebben. Lag ik er weer twee maanden uit. Een jaar later, weer een zweepslag. Ik dacht toen: het is mooi geweest, bekijk het maar. Maar ja, een half jaar later ging het weer aardig. Ik dacht: niet opgeven, het kan nog. Maar ik ging van de ene naar de andere kleine blessure. Het heeft jaren geduurd voordat ik vrede had met de hele situatie”.

2006, Zwolle.

"Door dat ongeluk zijn mijn zenuwbanen aangetast. De signalen van mijn lichaam naar mijn hoofd en vice versa kwamen niet door. Je hoofd regisseert. Maar mijn lichaam luisterde niet meer. Ik was letterlijk de regie kwijt. Het heeft lang geduurd voordat ik dat wilde erkennen. Jaren! Ik wil mezelf pijnigen, de grens opzoeken en daarna genieten van het voldane gevoel. Niets is lekkerder dan in vorm zijn. Dat alles vanzelf lijkt te gaan. Je lichaam is dan een machine die ongestoord zijn werk doet. Het is een kick om vooraan mee te lopen in een wedstrijd, begeleid te worden door motoren. Dat is een gevoel waar je maanden op vooruit kunt. Dat gevoel was mij afgenomen. Via een goede vriend belandde ik begin 2002 bij een haptotherapeut. Ik had het gevoel dat die man dwars door me heen keek. Hij liet me teruggaan naar mijn jongste jeugd en naar teleurstellingen op sportief vlak en privé-terrein. Hij heeft me geweldig geholpen, vooral door alleen maar te luisteren. Er kwam een hoop boven, ook uit mijn jeugd. Ik heb vaak het gevoel gehad dat ik erg werd gepusht en dat terwijl ik het ook altijd voor mezelf deed en me voor meer dan 100% inzette. Als anderen thuis bleven vanwege het slechte weer dan ging ik lopen. Het is voorgekomen dat ik na een wedstrijd door mijn trainer onderweg uit de auto werd gezet om nog een extra duurloop te doen. Had ik er maar alles uit moeten halen, zei hij. Ik liep mezelf helemaal over de kop. Het moest altijd maar harder en harder. Alleen de eerste plaats telde. Ik denk dat ik daarom na het ongeluk in Spanje ook ben doorgegaan. Als ik zou stoppen, dan zou ik falen. Dat gevoel zat heel sterk in me. Na die operatie in van dokter Bots in Zwolle, dacht ik vaak: ik ben weer honderd procent. Ik legde mezelf de druk weer op er helemaal voor te gaan. Stom, want de uitgangspositie was totaal anders: ik had een drukke baan, een vriendin en was er vijf jaar tussenuit geweest. Ik ben er klaar mee nu, al heeft dat lang geduurd. De ambitie om hard te lopen heb ik nog steeds, maar dan wel op een niveau dat past bij vijf keer trainen in de week. Op sombere momenten dacht ik wel eens: als ik nou een seconde harder had gelopen in Spanje, dan had ik die auto ontweken. Weet je wat die haptotherapeut op een gegeven moment zei? ‘Weet je, Berthold, je hebt geluk gehad. Als je een seconde langzamer was geweest, dan had je nu misschien in een rolstoel gezeten’. Heel simpel geredeneerd, maar op die wijsheid was ik zelf toen nog niet gekomen”.

(geplaatst met toestemming van de auteur)